06.01.2011

Wat iemands lievelingskleur verraadt over zijn karakter

Spontaan of bedachtzaam, creatief of rationeel: kleurentests als de Lüscher-test openbaren veel over iemands persoonlijkheid

Iemands voorliefde voor en aversie tegen bepaalde kleuren verraden veel meer over die persoon dan op het eerste gezicht blijkt. Mensen die houden van rood, dragen bijvoorbeeld niet alleen het liefst rode kleding en rijden bij voorkeur rond in een rode auto, maar lopen vaak ook over van energie. Kleurentests maken gebruik van dergelijke verbanden tussen kleuren en karakter en doen concrete uitspraken over iemands karaktertrekken of actuele gemoedstoestand.

Wat voor kleur auto iemand heeft, is volgens psychologen meer dan alleen een kwestie van smaak.
Wat voor kleur auto iemand heeft, is volgens psychologen meer dan alleen een kwestie van smaak.

De lievelingskleur van de Duitsers is blauw. Dat is gebleken uit een door Burda Medienforschung gehouden enquête, waarbij bijna 25% van de ondervraagden aangaf een voorkeur voor deze kleur te hebben. Daarnaast kwam uit de studie naar voren dat liefhebbers van blauw carrière belangrijk vinden, graag fietsen en vaak naar muziek luisteren. De voorkeur voor blauw schijnt dus veel meer over iemand te zeggen dan op het eerste gezicht duidelijk is.

In de moderne psychologie gaan onderzoekers er al vanaf het begin van uit dat er een nauw verband bestaat tussen kleuren en het gedrag en karakter van de mens. Kleuren worden daarom ook gebruikt voor het analyseren van het menselijke karakter. Zelfs sommige sollicitatietests bevatten vragen over kleuren, bijvoorbeeld de vraag om voor de kleuren rood, blauw, geel en groen de voorkeursvolgorde aan te geven: eerst de "mooiste" en als laatste de "lelijkste kleur".

Met zijn keuze projecteert een testpersoon ook onbewuste meningen naar buiten, aldus psychologen. De eerste kleur geeft daarbij aan hoe iemand taken aanpakt en hoe het gesteld is met zijn temperament. Zo kunnen – heel algemeen gesteld – liefhebbers van blauw worden bestempeld als bedachtzaam en verstandig, liefhebbers van rood als actief en dynamisch, liefhebbers van geel als rijk aan ideeën en liefhebbers van groen als rustig en bezonnen.

Wie bijvoorbeeld rood op de eerste plaats heeft staan, pakt een taak actief, dynamisch, doelgericht en enthousiast aan. Is blauw de eerste keuze, dan staan daarentegen verstand, logica en overleg op de voorgrond. De kleur die als tweede wordt gekozen, geeft informatie over doelstellingen, wensen en neigingen. Wanneer bijvoorbeeld rood op de tweede plaats staat en blauw op de eerste, kan uit deze combinatie worden afgeleid dat de ondervraagde pas na rijp beraad in actie komt.

Op dit eenvoudige en begrijpelijke principe berust bijvoorbeeld de wijdverbreide kleurenpsychologische persoonlijkheidstest van de Zwitserse psycholoog Max Lüscher. De Lüscher-test is sinds 1947 vertaald in 29 talen en wordt wereldwijd gebruikt bij de persoonlijkheidsanalyse. De bedoeling van deze test is om naast de psychisch-lichamelijke toestand van de mens ook zijn belastbaarheid, prestatievermogen en communicatievermogen te meten en oorzaken van psychische belasting op te sporen die kunnen leiden tot lichamelijke klachten. "Omdat kleurkeuzen onbewust worden gestuurd, laten ze zien hoe iemand echt is en niet – zoals bij een directe ondervraging of een enquête – hoe hij zichzelf ziet of graag door anderen gezien wil worden", zo beschrijft Lüscher een belangrijk voordeel van zijn methode.

Bij de Lüscher-test moeten de acht kleuren oranjerood, geel, donkerblauw, blauwgroen, violet, bruin, zwart en grijs in de volgorde van hun voorkeur worden gezet. Aan de hand van de hieruit resulterende kleurenreeks kunnen psychologen dan de genoemde conclusies trekken over het karakter en de actuele gemoedstoestand van de ondervraagde. In de loop der tijd heeft Lüscher zijn test aangepast. In zijn boek "Der 4-Farben-Mensch" ("De 4-kleurenmens") presenteert hij een variant die uitsluitend de vier kleuren rood, geel, blauw en groen bevat.

Andere kleurentests zijn veel complexer opgebouwd en voor de leek minder gemakkelijk te begrijpen. Zo moeten er bij de door Max Pfister ontwikkelde kleurenpiramidetest gekleurde stroken papier in voorgetekende piramides met elk vijftien velden worden geplakt. De proefpersoon moet daarbij drie keer een mooie en drie keer een lelijke piramide maken. Ook de in 1949 door Heinrich Frieling geconcipieerde "kleurenspiegel" is buitengewoon gecompliceerd. Hier moeten de kleuren niet in een rij, maar in vier velden worden gepositioneerd. Zowel de conclusies die uit deze twee tests kunnen worden getrokken, als de analyse van de testresultaten, zijn veel complexer dan bij de Lüscher-test.

Met zijn lievelingskleur verraadt iemand dus veel meer over zichzelf dan alleen zijn voorkeur voor een bepaalde kleur. En hoe meer kleuren er in een test worden opgenomen, hoe talrijker zijn ook de uitspraken die op basis van die test over een persoon kunnen worden gedaan.