02.12.2010

Waarom de ene verf de andere niet is

Schrobvastheid, glansgraad, contrastverhouding: er zijn objectieve criteria voor de kwaliteit van binnenverf

De prijzen van binnenverf lopen sterk uiteen. Er bestaat een enorm verschil tussen de prijs van een goedkoop product uit de bouwmarkt en het afwerkmateriaal dat bedoeld is voor de professional. Voor de vakman ligt de zaak echter duidelijk. Een goede binnenverf heeft zijn prijs, want deze heeft eigenschappen die absoluut noodzakelijk zijn om het product goed te kunnen verwerken en het gewenste eindresultaat te kunnen bereiken. Maar wat bepaalt de kwaliteit van verf nu precies?

Kwalitatief hoogwaardige verf voor binnenshuis heeft niet alleen goede verwerkingseigenschappen, maar kan ook worden gemengd, zodat er een breed scala aan kleurschakeringen mogelijk is. Foto: FloKu Photocase.com
verf voor binnenshuis

Zoals voor bijna alle producten die in de bouw worden gebruikt, bestaat er ook voor watergedragen verf voor wanden en plafonds een norm waarin de belangrijkste kwaliteitscriteria zijn vastgelegd. In dit geval is dat de DIN EN 13 300. Een van de eigenschappen die in deze norm worden gedefinieerd, is de schrobvastheid. Deze geeft aan in hoeverre een product bestand is tegen mechanische slijtage zoals deze bijvoorbeeld optreedt bij het reinigen van het oppervlak, en is onderverdeeld in vijf klassen. Klasse 1 heeft de hoogste schrobvastheid en klasse 5 de geringste. Een hoge schrobvastheid is vooral belangrijk, wanneer het oppervlak blootstaat aan sterke vervuiling, bijvoorbeeld in keukens of kinderkamers. Bij de aankoop van muur- of plafondverf voor binnenshuis moet er dus rekening mee worden gehouden aan welke belasting de verf na het aanbrengen wordt blootgesteld.

De schrobvastheid wordt bepaald met een schuurspons die wordt opgespannen in een testapparaat en vervolgens een bepaald aantal keren heen en weer wordt bewogen over een proefvlak. Daarna wordt het monster gewogen en wordt uit het gewichtsverlies de afname van de deklaagdikte berekend. Wanneer deze na 200 heen- en weergaande bewegingen van de schuurspons geringer is dan 5 micrometer (= 0,001 mm), heeft het afwerkmateriaal een schrobvastheid klasse 1. Voor klasse 2 moet de afname van de deklaagdikte tussen 5 en 20 micrometer liggen. Een afwerkmateriaal waarvan de deklaagdikte bij slechts 40 heen- en weergaande bewegingen afneemt met meer dan 70 micrometer, wordt ingedeeld in klasse 5.

Het tweede criterium dat in de norm is geregeld, is de glansgraad. Deze bepaalt in hoge mate welk indruk de afwerking uiteindelijk maakt. Onder glans wordt de optische eigenschap van een oppervlak verstaan om licht dat op dat oppervlak valt, te reflecteren. Matte oppervlakken weerkaatsen het licht niet of alleen diffuus, terwijl glanzende oppervlakken het sterker reflecteren. Wanneer een oppervlak een hoge glans heeft, betekent dit natuurkundig gezien dat het percentage parallel gerichte lichtstralen in het licht dat van dit oppervlak uitgaat, bijzonder groot is. De glansgraad van een afwerkmateriaal wordt bepaald met speciale apparatuur, waarmee de van het oppervlak uitgaande hoeveelheid gericht licht wordt gemeten en vervolgens wordt gerelateerd aan de vergelijkbare waarde van een zwart gepolijst glasvlak dat als referentie dient. Uit deze meting kunnen vier verschillende glansgraden resulteren: glanzend, matig glanzend (ook wel zijdeglanzend of zijdemat genoemd), mat en tenslotte stompmat.

Matte oppervlakken zien er over het algemeen bijzonder hoogwaardig uit en gedragen zich niet kritisch, wanneer er van opzij strijklicht op valt. Ze zijn echter vaak minder schrobvast dan glanzende oppervlakken. Daarom moet bij de keuze van een geschikte muur- en plafondverf worden gezocht naar de optimale combinatie van beide eigenschappen voor de betreffende toepassing.

Het derde belangrijke kwaliteitscriterium is de contrastverhouding of het dekvermogen van het afwerkmateriaal, dat mede afhankelijk is van de opbrengst van de verf. De opbrengst wordt gedefinieerd als het oppervlak dat met één liter verf kan worden afgewerkt. Op basis van de hiervoor door de fabrikant aangegeven waarde wordt er op een genormeerd oppervlak dat zwarte en witte vlakken bevat, een bepaalde hoeveelheid verf aangebracht. Vervolgens wordt de contrastverhouding van de met het betreffende product behandelde vlakken gemeten. Deze kan variëren van klasse 1 voor het hoogste dekvermogen tot klasse 4 voor het geringste dekvermogen. Een hoog dekvermogen in combinatie met een hoge opbrengst betekent altijd dat een afwerkmateriaal van goede kwaliteit is.

Het vierde en laatste kwaliteitscriterium van de norm is de maximale korrelgrootte. Deze geeft de diameter aan van de grootste deeltjes die in relatief grote hoeveelheden aanwezig zijn en de oppervlaktestructuur van het verfsysteem beïnvloeden. De maximale korrelgrootte varieert van "fijn" met maximaal 100 micrometer grote deeltjes via "middelfijn" en "grof" tot "zeer grof" met een korrelgrootte van meer dan 1.500 micrometer. Structuurloze afwerkmaterialen voor wanden en plafonds hebben gewoonlijk een korrelgrootte van maximaal 100 micrometer en worden dus als "fijn" geclassificeerd.

Met de in deze norm vastgelegde grootheden beschikt de gebruiker over bindende criteria waarmee hij de kwaliteit van afwerkingsmaterialen kan beoordelen. Voor het praktische werk gaat het kwaliteitsbegrip echter verder dan deze basisgrootheden: wie aan wit alleen niet voldoende heeft om zijn creatieve ideeën te verwezenlijken, heeft producten nodig die gemengd kunnen worden om zo voor iedere ruimte de passende wenskleur tot stand te kunnen brengen. Met het Scala kleursysteem biedt de verffabrikant Brillux een uitstekende mogelijkheid om dit te realiseren. (ud)