09.06.2011

Olympisch kleurenbeeld

Met zijn kleurconcept voor het olympisch dorp in Turijn veranderde Erich Wiesner een complete stadswijk in een zee van kleuren.

Het kleurconcept van het olympisch dorp in Turijn, waar in 2006 de winterspelen werden gehouden, is een variatie op het olympische design. Venster- tot gevelgrote rode, oranje, blauwe en groene rechthoeken waaien en fladderen over de strak geordende huizen, waardoor bij menig toeschouwer associaties worden opgeroepen met de bonte vlaggen van de deelnemers aan de Olympische Spelen. Dit dynamische kleurconcept is afkomstig van de Berlijnse kunstenaar Erich Wiesner. Sinds 1983 geeft hij vorm aan gevels voor bekende Europese architecten.

Centraal in Wiesners kleurenscala voor het olympisch dorp staan twee krachtige oranjetinten. Foto: Achim Pilz

Centraal in Wiesners kleurenscala voor het olympisch dorp staan twee krachtige oranjetinten. Foto: Achim Pilz

Foto: Achim Pilz

Foto: Achim Pilz

 

Het stedenbouwkundig concept voor de drie olympische stadsblokken werd ontwikkeld door Steidle Architekten uit München en Benedetto Camerana uit Turijn. Op het door hen ontworpen strakke basisraster ontwikkelden architecten en ingenieurs uit zes Europese landen 41 flats met 250 woningen en sterk variërende gevels.

Het ruimtelijke raster van de wijk wordt gevormd door drie achter elkaar gelegen grote velden die doen denken aan schaakborden en grenzen aan een bestaande markthal. Op deze velden bevinden zich vrijstaande, zeven verdiepingen hoge flats die zo over het strakke raster zijn verdeeld, dat er diagonaal tussendoor kan worden gekeken. De flats zijn licht rechthoekig, nu eens in dwarsrichting en dan weer in lengterichting gebouwd, zodat daartussen pleinen, binnenplaatsen en nissen van verschillende vormen en afmetingen ontstaan. Zo verandert de buitenruimte als het ware in een binnenruimte, waarvan het karakter sterk wordt bepaald door de kleur. Deze geeft de grote kubussen van de rationalistische architecten een meer menselijke schaal en aanblik. "Bij dit project zijn de vormen van de flats en de ruimten die worden gevormd, gelijkwaardig", aldus Erich Wiesner.
br /> Om de passende kleuren te vinden, liet hij modelplaten van 60 bij 120 centimeter vervaardigen. Het kleurenpalet dat hij uiteindelijk koos, omvat elf kleuren die – zoals bij Wiesner altijd het geval is – bijzonder intensief zijn. De warme kleuren overwegen. Deze zijn gegroepeerd rondom een schitterend oranje in de richting van geel en rood. Als koude kleuren koos hij een heldere blauwtint en een lichte groentint en als neutrale kleuren donkergrijs, kastanjebruin en twee witnuances. De stralende kleuren zijn in de meeste gevallen van elkaar gescheiden door wittinten of neutrale kleuren. Voor de verdeling van de flats over de eerste twee bouwvelden maakte Erich Wiesner gebruik van een model. Hij schoof de gekleurde flats als de stukken van een schaakspel heen en weer en nam dan zijn beslissingen.

Aan de straatzijde wordt het eerste bouwveld begrensd door een heldere geeloranje tint. In het midden van dit veld staat een flat in een wat donkerder oranje. In het tweede veld speelt deze kleur eveneens een bepalende rol. Oranje reflecteert het zonlicht en dompelt de aangrenzende binnenplaatsen daardoor in een warm licht, dat ook de omringende woningen binnenvalt. Wiesners kleuren stralen kracht en onafhankelijkheid uit. Ze doorsnijden de vormen van de gebouwen, die er daardoor modern uitzien. Ze zijn duidelijk geïnspireerd op de bouwwerken van Bruno Taut in Berlijn en het interieur van het gebouwencomplex van het Bauhaus in Dessau.

In het eerste bouwveld doorbreekt Wiesner het volumineuze karakter door een duidelijke kleurscheiding aan te brengen, ofwel per kant van een gebouw ofwel binnen een gevel – meestal horizontaal en maar zelden verticaal. Een hoge witte sokkel met aan weerszijden een volledig in kleur uitgevoerde gevel wekt met zijn smetteloze ondergrond de indruk van een omhooggeschoven rolpoort. Een witte sokkel rondom met daarboven een aantal in een krachtige, bonte kleur uitgevoerde verdiepingen komt ook voor. Daardoor ontstaat de indruk dat de flats wankelen – een geliefd motief in de moderne kunst. In het omgekeerde geval, waarin de sokkel is uitgevoerd in een krachtige kleur en de verdiepingen daarboven wit zijn, lijkt het betreffende gebouw naar de lucht toe lichter te worden en als een vlag te wapperen. De enige constante in de kleurstelling lijkt te zijn dat zwaar en licht elkaar afwisselen. Deze eigenschap verbindt de gebouwen van de verschillende velden met elkaar.

In het middelste bouwveld wordt het volumineuze karakter doorbroken doordat er op een basiskleur gekleurde velden van verschillende grootte zijn aangebracht, bijvoorbeeld op het doorlopende wit van de gevel aan de straatzijde. Deze gekleurde velden zijn aangebracht in nissen in de gevel, voornamelijk naast de ramen. De uit lichtgrijze houten lamellen opgebouwde schuifluiken daarvoor versterken het effect van de wisselende kleuren nog eens extra, doordat ze de vlakken afhankelijk van de vraag of ze geopend of gesloten zijn, al of niet aan het oog onttrekken. Doordat bepaalde geveldelen vaker voorkomen of sterker in het oog springen, doet in het bijzonder het middelste bouwveld denken aan het krachtige en geometrische kleurgebruik van Bruno Taut.

In het laatste bouwveld komen de kleuren van de beide andere velden weliswaar grotendeels terug, maar zijn deze door de architecten op een geheel andere wijze toegepast. Zowel architectonisch als qua kleur wijkt dit veld sterk af van het eerste en het tweede. Het pleisterwerk van de gevels is geschilderd in dezelfde kleuren, maar niet zo uniform behandeld. De staalconstructies daarvoor zijn uitgevoerd in afwijkende kleuren, zodat ze het contact met de gevel verliezen. "Ze hebben geprobeerd in de kleurstelling contact te maken", vat Wiesner samen, "maar hun kleur ontbreekt het aan terughoudendheid. Zo hebben ze bijvoorbeeld de metalen balustrades van de balkons blauw geschilderd alsof ze deze wilden aanpassen aan de kleur van de lucht." Met een in licht groengrijs en wit uitgevoerde flat vinden we bij Wiesner een respons op dit kleurconcept.

Architect Benedetto Camerana noemt de aaneenschakeling van bontgekleurde vlakken een harlekinade. Dat laat zien hoe de beelden die ontstaan, zowel kunnen polariseren als fascineren. De afwisselende kleuren zijn spannend. De kleur stroomt. In het donker en bij kunstlicht worden de felle kleuren zachter en ontstaat de indruk van een zich uitbreidende Zuid-Europese stad. (ap)