Wir verwenden Cookies, um bestimmte Funktionen unserer Website zu ermöglichen und Zugriffe auf unsere Website zu analysieren. Wenn Sie auf unserer Website weitersurfen, stimmen Sie der Nutzung von Cookies zu. Mehr Informationen hierzu finden Sie in unserer Datenschutzerklärung.

Ok

 

10.11.2011

Cirkel van zeven kleuren

Isaac Newton gebruikte het door een prisma gegenereerde kleurenspectrum als basis voor een cirkelvormig kleursysteem

Het begon allemaal met een prisma. Toen de natuurwetenschapper Isaac Newton in 1671 zonlicht door zo'n glazen driehoek liet vallen, begon hij te begrijpen dat wit licht helemaal niet zo zuiver is als tot dan toe meestal werd gedacht. Het witte licht werd ontleed in verschillende kleuren en moest dus bestaan uit een mengsel van die kleuren, zo concludeerde Newton. Dit inzicht vormde later de basis voor zijn kleursysteem: de uit zeven kleuren bestaande kleurencirkel van Newton, die geen wit of zwart bevat.

Newtons kleurencirkel

Isaac Newton was overigens niet de eerste die met licht in een prisma heeft geëxperimenteerd. Al in 1648 hat de Boheemse natuurkundige Johannes Marcus Marci zonlicht door een prisma gestuurd en daarbij waargenomen dat dit werd ontleed in de spectrale kleuren rood, oranje, geel, groen, blauw en violet. Marci had ook geconstateerd dat dit gekleurde licht niet verder kon worden ontleed – een feit dat Newton bij zijn experimenten eveneens vaststelde. De wetenschapper, die in verband met de dreigende pest in Londen zijn toevlucht had genomen in de boerderij van zijn ouders op het platteland, plaatste achter het eerste prisma een tweede en zag dat het licht daardoor weliswaar eveneens werd afgebogen, maar niet verder werd ontleed.

Kleuren bestaan dus niet uit veranderd wit licht, zo concludeerde Newton, maar ze doen juist wit licht ontstaan, wanneer ze worden gemengd. Daarmee weerlegde hij de tot dan toe bij natuurwetenschappelijke onderzoekers gangbare overtuiging dat de oorsprong van alle kleuren zuiver wit licht is, dat door bijmenging van donkere kleuren wordt vertroebeld. Zijn "New theory on light and colours" presenteerde hij in 1672 in een publicatie aan de Royal Society in Londen.

De opsplitsing van wit licht in zijn spectrale bestanddelen treedt op doordat de breking bij het raken van de vlakken van het prisma van kleur tot kleur verschilt – dat zag ook Newton al in. Maar waarom wordt blauw licht sterker afgebogen dan rood licht? Deze vraag probeerde de wetenschapper te beantwoorden in zijn in 1704 verschenen werk "Opticks". Daarin liet Newton zijn gedachten gaan over de aard van het licht en kwam hij tot de conclusie dat dit bestaat uit minuscule deeltjes, zogenaamde corpusculi. De ontleding van het licht kon echter pas jaren later echt worden verklaard aan de hand van het verband tussen de golflengte en de voortplantingssnelheid van het licht in een medium.

Newtons kleurencirkel, die hij in zijn "Opticks" eveneens presenteerde, is nog altijd van betekenis. Deze kleurencirkel is in feite gebaseerd op niet-natuurkundige aannames: het op een rechte lijn liggende, met behulp van een prisma gegenereerde kleurenspectrum boog Newton tot een cirkel waarin violet en rood zich naast elkaar bevinden. Deze twee kleuren worden alleen door de mens als verwant waargenomen, maar zijn natuurkundig gezien juist verder van elkaar verwijderd dan ieder andere kleurenpaar in het spectrum van het zichtbare licht.

Het tweede op de waarneming gebaseerde kenmerk van Newtons kleurencirkel is het aantal kleuren dat deze bevat. Newton was overtuigd van de analogie van hoorbare tonen en zichtbare kleuren en koos daarom uit het spectrum van het zichtbare licht naar analogie van de zeven tonen van de Dorische toonladder precies zeven kleuren uit: purper, indigo, blauw, groen, geel, geelrood en rood. Een bijzonderheid van de kleurencirkel van Newton is dat wit en zwart hierin volledig ontbreken. Dit berust op het feit dat wit volgens Newton niets anders was dan een mengsel van alle spectrale kleuren en zwart de afwezigheid van ieder licht.

Een van de grootste critici van deze zienswijze was Johann Wolfgang von Goethe, die in zijn kleurenleer op een totaal andere manier probeerde toegang te krijgen tot de essentie van de kleuren. Goethe ging in zijn benadering uit van de mens, voor wie wit de eenvoudige, natuurlijke vorm is van het licht, omdat het direct beschikbaar is. Uit wit ontstaat door afzwakking geel, net zoals er uit zwart blauw ontstaat. Geel en blauw vormen bij Goethe een oerpolariteit waarin alle andere kleuren hun oorsprong hebben. (ud)